Ik zou terugkomen op dat ‘gemis’ in het filmkijken/-denken. Het is lastig om precies te zijn hierin, omdat het een poging tot duiden is van een instinctieve ervaring. Ik weet ook niet of er sprake is van een puur persoonlijke kwestie, een typisch Nederlandse kwestie of dat het breder spectrum behelst. Dus laat ik het eerst beperken tot mijn eigen ervaring. Zoals eerder gezegd, kreeg ik het gevoel bij het herzien van een aantal films van o.a. Jean-Luc Godard, Michelangelo Antonioni en Robert Bresson (oude knarren/vergane cinefiele glorie, ik weet het, maar hou nog effe vol…) dat ik als kijker en als maker iets kwijtgeraakt ben in de loop der tijd. Dat ‘iets’ heeft o.a. te maken met openheid, zelfverzekerdheid en optimisme. Een vrijheid van denken die je voor jezelf bepaald. Dus een open vizier, zonder al teveel vooraf opgestelde kaders. Zelfverzekerd zijn in het betreden van ‘onbekende’ paden. Optimistisch zijn over ‘t afleggen van die weg, zonder precies te weten waar die tot leidt. Klinkt dit vaag? Waarschijnlijk. Zoals gezegd, dit is een poging tot formuleren. Of zoals de titel van een Boris Lehmann-film luidt: Tentatives de se decrire.

Vorige maand werd er op het Nederlands Film Festival gediscussieerd over de status quo van de Nederlandse artistieke film. Aanleiding was de branding van een aantal filmmakers met het label Dutch Angle. Ik was er zelf niet bij, maar uit de reacties van o.a. studenten van de Filmacademie begreep ik dat de regisseurs nogal terughoudend waren in hun uitgesprokenheid, dat de producenten (met Stienette Bosklopper voorop) vonden dat de films onvoldoende uitgesproken zijn om het internationaal te redden en dat Paul Ruven Hans Berenkamp van domme uitspraken betichtte en een pleidooi hield voor meer genre-diversiteit bij de zogeheten artistieke film.
Interessant vond ik het Klein Verslag van Wim Boevink in Trouw over die bijeenkomst. Grappig ook om te lezen hoe een buitenstaander aankijkt tegen ons kleine ‘artistieke’ filmwereldje:
“Op een scherm stond het als annonce verpakte thema: ’artistieke film zoekt verdieping’. Nu weet ik niet veel van film, maar ik dacht altijd dat artistieke films juist vanwege die – soms onbegrijpelijke – verdieping artistiek genoemd werden. (…) in Nederland gaat er haast niemand voor naar de bioscoop. Ik dacht, ja een kunstfilm draai je niet voor de massa.”
En:
“De drie gasten waren alle drie auteursfilmers. Ze hadden films gemaakt als ’Langer Licht’, ’Calimucho’ en ’Hunting & Zn.’ Ik had er tot mijn schaamte nog nooit van gehoord. Ze lieten een paar scenes zien, waarvan vooral die uit ’Voorland’ me bijbleef, van een slak die op de vlucht voor opkomend water op de top van een spriet het vege lijf probeerde te redden – dramatischer eigenlijk dan die computer geanimeerde ’De Storm’. (…) De regisseurs tobden met de kritiek dat ze met hun huiskamerdrama’s niet spraakmakend waren. „We zijn toch geen journalisten?” riep er een. Ze wilden geen verhalen vertellen, een verhaal was een noodzakelijk kwaad om een ’gevoel’ over te brengen.”
In Boevinks column zitten een aantal zaken verstopt die dicht bij de kern van mijn ‘gemis’ komen en ook bij wat die dag in Utrecht besproken werd of moest worden. Hij duidt artistieke films als een genre waarbij soms sprake is van ‘onbegrijpelijkheid’. Hij positioneert die ‘kunstfilm’ als voor een elitair publiek (in de letterlijke zin: voor een selecte groep). En hij laat weten dramatisch onder de indruk te zijn van het beeld van een slak in doodsnood.
Laat ik in deze post beginnen met onbegrijpelijkheid. Ik denk dat iedereen wel ongeveer weet wat Boevink daarmee bedoelt, maar wat is dat eigenlijk voor een kwalificatie? Wanneer is iets onbegrijpelijk? Als je uitgaat van het psychologisch principe dat we als kijker met de gegevens van een film in ons hoofd een eigen verhaal construeren (David Bordwell’s cognitieve filmtheorie over syuzhet-style-fabula), dan zou onbegrijpelijkheid kunnen ontstaan als we de geboden gegevens niet kunnen volgen. Oftewel, de codes die inherent zijn aan de film, zijn onbekend. Dat kan simpelweg cultureel-ethnologisch bepaald zijn, bijvoorbeeld films die zich afspelen in een wereld(deel) waar je de mores niet van kent. Maar vooral wordt het bepaald door al of niet opgebouwde kennis en ervaring. Vergelijk het met luisteren naar seriële muziek. Geen eenvoudige opgave als je dat voor het eerst op je tiende hoort terwijl je alleen nog maar K3 e.d. gewend bent. Misschien ervaar je het niet eens als muziek, want ‘het klinkt nergens naar.’ Die uitdrukking slaat de spijker op zijn kop: “het klinkt nergens naar” duidt erop dat je iets onbekends hoort. Je hebt dus geen referentiekader, zodat het op z’n minst “naar iets klinkt”. Het al of niet aanwezig zijn van bepaalde referentiekader(s) is cruciaal om te begrijpen wat je ziet, hoort of anderzins ervaart. In de zin van het in staat zijn tot construeren van geboden gegevens tot een consistent geheel (een verhaal, een gevoel, een statement, etc.)
Het elitaire karakter van kunstwerken heeft veel te maken met die aan-/afwezigheid van referentiekaders. Voor wie niet kan lezen, is elke tekst onbegrijpelijk. Dus films die soms onbegrijpelijk zijn voor Wim Boevink, hanteren codes die buiten zijn referentiekader(s) vallen. De vraag in het kader van de klaarblijkelijk te slecht bezochte Dutch Angle-films is dan dus of die films ‘te onbegrijpelijk’ zijn voor het publiek dat men wil bereiken. En in het verlengde daarvan: of men zich moet neerleggen bij het feit dat slechts een kleine groep liefhebbers de referentiekaders heeft om wel ‘te begrijpen’. De uitspraak van Eugenie Jansen (want zij was het) “het verhaal is een noodzakelijk kwaad” die Boevink citeerde, is interessant om in de poging tot het beantwoorden van die vragen mee te nemen.
Wordt vervolgd.

Eugenie Jansen draait 'Voorland'